Gebit, leeftijd en gebitsverzorging bij het paard


Dit verhaal bestaat uit drie hoofdstukjes:
Het gebit van het paard
Het schatten van de leeftijd
Problemen met het gebit

Het gebit van het paard

Inleiding
Het paard is een planteneter (herbivoor), wat zichtbaar is in de opbouw van zijn gebit. Met name de kiezen, die een maalfunctie hebben, zijn sterk ontwikkeld en zijn plat op de kauwvlakte. Dit in tegenstelling tot het gebit van vleeseters (carnivoren), welke puntig en scherp is, bedoeld om vlees klein te knippen. Een paard spendeert relatief veel tijd, tot 16 uur per dag, aan het grazen en fijn malen van zijn voedsel. Paarden hebben net als mensen een melkgebit en een blijvend gebit.


De elementen
Het gebit van een paard bestaat uit de volgende elementen:
Snijtanden (incisivi); hiervan zijn er 3 per kaakhelft:
• de binnentanden
• de middentanden
• de buitentanden
Haak- of hoektanden (canini); deze zijn alleen bij de hengst en ruin aanwezig. Een enkele maal vindt men ze ook bij de merrie.
Melk- of veulenkiezen (premolaren); in aanleg zijn er 4 per kaakhelft aanwezig, echter de eerste premolaar is meestal niet of slechts rudimentair aanwezig en is dan bekend als ¨wolfskiesje¨.
Ware kiezen (molaren); waarvan er 3 per kaakhelft zijn.
Een volwassen paardengebit heeft dus 36 (merrie) tot 40 (hengst) elementen.

De meeste paarden hebben een volledig gebit als ze vijf jaar worden.
Doordat de wisseling en afslijting van tanden en kiezen van een paard een vast patroon volgen, is de leeftijd van een paard met een redelijke betrouwbaarheid te schatten. Het spreekwoord: "Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken" komt hier vandaan.
Paarden en paardachtigen hebben een zogenaamd 'hypsodont' gebit: de snijtanden en de kiezen groeien, nadat ze hun maximale lengte hebben bereikt op ongeveer 6-jarige leeftijd, langzamerhand uit de tandkas. Tegelijkertijd slijten de elementen aan het kauwoppervlak af als gevolg van het vermalen van het voedsel. Op jonge leeftijd gaat dit proces met een snelheid van ongeveer 2-4 mm per jaar. Als het paard ouder dan zo'n 22 jaar is, gaat het steeds langzamer. Op een bepaald moment is er nog maar zo weinig houvast in de kaak, dat kiezen en/of tanden los gaan zitten, uitvallen of moeten worden verwijderd.

Wolfskiezen zijn kleine kiesjes vóór de eerste kies, meestal in de bovenkaak, maar soms ook in de onderkaak. Ze hebben geen functie en zijn niet bij alle paarden aanwezig. Om te voorkómen dat ze problemen opleveren met het bit, is het verstandig om ze te verwijderen. Bij fokmerries die niet worden gereden is dit dus doorgaans niet nodig. Dit moet wel vakkundig gebeuren, omdat wolfskiesjes klein zijn en makkelijk breken. O)ok restanten van de wortel kunnen problemen geven. Het alleen afknippen van wolfskiesjes is dus niet verstandig!
Een blind wolfskiesje is niet meer dan een bultje onder het tandvlees, maar kan behoorlijk pijn doen als het bit erop drukt.

Een tand of kies bestaat uit een wortel en een kroon. In de mondholte zie je de zogenaamde 'klinische kroon'. De kroon is namelijk verdeeld in het deel dat boven het tandvlees uitsteekt (de klinische kroon) en het deel dat onder het tandvlees zit en dus niet zichtbaar is (de reservekroon). Als uitgroei en afslijting in evenwicht zijn, blijft de klinische kroon altijd even groot, en daarom kunnen makkelijk problemen ontstaan. Als bepaalde delen niet of weinig afslijten, groeien deze uit tot haken, scherpe randen of verhogingen ten opzichte van de kauwvlakte en kunnen daardoor de normale zijwaartse en voor-achterwaartse bewegingen van de onderkaak belemmeren.

De bovenkaak is breder dan de onderkaak en ook de kiezen in de bovenkaak zijn breder dan die beneden, zodat in rust de bovenkiezen aan de wangzijde buiten de onderkaakskiezen uitsteken en de onderkiezen aan de tongzijde buiten de kiezen in de bovenkaak.
Het snijoppervlak van de snijtanden moet van opzij bekeken ongeveer evenwijdig lopen aan de neusrug.

Het kauwen
Tijdens het kauwen beweegt de onderkaak zich in een cirkelvormige beweging naar beneden, opzij, naar boven en weer terug. Naast de zijwaartse beweging is er ook een voor-achterwaartse beweging van de onderkaak: de onderkaak beweegt zich ten opzichte van de bovenkaak naar voren als het paard het hoofd naar beneden beweegt en naar achteren als het paard het hoofd omhoog brengt of de hals strekt.
Bij een normale kauwbeweging wordt het gehele kauwoppervlak afgesleten.

Groeven op snijtanden volwassen paard Groeven aan de lipvlakte van volwassen tanden

Bij een veulen van een jaar, waarbij alle tanden en kiezen aanwezig zijn, ontbreken in de tandformule de drie molaren. Veulentanden laten zich van volwassen tanden onderscheiden door hun wittere kleur, hun schopvorm en het ontbreken van een duidelijke groeve aan de lipvlakte van de tand (zie foto boven).

Bij een pas doorgebroken snijtand bevindt zich in de kroon een holte, het infundibulum of de kroonholte. Deze holte zal langzaam verdwijnen door het in slijting komen van de tand. Wanneer ze verdwenen is, noemt men de tand "gevuld". Zijn alle tanden gevuld, dan noemt men een paard "aftands". Het tandsterretje, het aan de wrijfvlakte van de snijtanden zichtbare deel van de wortelholte, wordt vanaf dat moment zichtbaar aan de voorrand van de tand. Onderstaande afbeelding probeert weer te geven wat je op de bovenkant van een snijtand ziet bij de verschillende leeftijden.

Schedel paard met snijtanden leeftijd
Schedel paard met snijtanden (verklaring: zie alinea boven afbeelding)

Het schatten van de leeftijd
Het schatten van de leeftijd (aan de hand van het groei- en slijtproces van de tanden)
Ieder paard heeft na 9 maanden al zes melktanden. Deze tanden zijn net als bij mensen niet blijvend. Ze worden op 2,5- tot 4,5 -jarige leeftijd gewisseld voor blijvende volwassenen tanden. De middelste tanden heten de binnentanden, de buitenste tanden heten hoektanden of buitentanden, en de overige middentanden. De wrijfvlaktes, ofwel de kauw oppervlakken. De buitenkant van de wrijfvlaktes veranderen elk jaar. Bij jonge paarden van een jaar of 5 zijn deze wat ovaal, bij oudere paarden (+ 8) wordt het wat ronder en daarna rechthoekig. De kroonholte is een gaatje dat in de wrijfvlaktes zit (dit hoort zo), en verdwijnen naarmate het paard ouder wordt. Het tandsterretje is een zwart streepje op de bodem van de kroonholte, dat eerst dun is en later ronder wordt. Dit streepje komt door het slijten van de tanden.
Een paard dat aftands is, is ouder dan 8 jaar. Na de 8 jaar is het lastig om de leeftijd van het paard goed af te lezen.
Sommige paarden krijgen vanaf 10-jarige leeftijd een groef in de buitentand aan de bovenkant. Dit is een schuine streep, die van de bovenkant van de tand naarmate het paard ouder wordt helemaal naar beneden kan doorlopen, waardoor het lijkt alsof de tand is gespleten. Op 20-jarige leeftijd is dit meestal het geval. Niet ieder paard krijgt dit.

• tot 1 maand;  De binnentanden zijn aanwezig bij de geboorte, of verschijnen snel daarna. In het midden zit de kroonholte.
• 1 tot 1,5 maand; De middentanden komen door.  
• 6 tot 9 maanden; De hoektanden zijn doorgekomen. 
• 3 jaar; De middelste melktanden worden op 2,5 -jarige leeftijd vervangen door blijvende tanden. Op 3-jarige leeftijd slijten ze.
• 4 jaar; De middentanden vallen uit als het paard 3,5 is, en worden door blijvende vervangen. Op 4-jarige leeftijd slijten de tanden.
• 4 t/m 5 jaar; De buitenste tanden wisselen van blijvende en de haaktanden zijn doorgebroken. Een vijfjarig paard heeft een compleet gebit.
• 6  jaar; De middelste tanden staan recht op elkaar. De kroonholte is bijna niet meer zichtbaar.
• 7 jaar; De bovenste hoektanden worden haakvormig. De middelste tanden worden nu rond, en de kroonholte is niet meer zichtbaar bij de binnentanden.
• 8 jaar; De tanden staan in een lichte hoek op elkaar, het donkere tandsterretje verschijnt en de kroonholte is verdwenen bij de buitentanden. 
• 10 jaar; De binnentanden worden driehoekig. In alle tanden zitten de tandsterretjes. Bij sommige paarden verschijnt nu de groeve op de buitentand.
• 13 jaar; De tanden worden nu nog rechthoekiger. De tandsterretjes zijn groter en ronder, en de tanden gaan in een schuinere hoek staan. De groeve is al op de helft van de buitentand.
• 20 jaar; De tanden staan nu bijna in een hoek van 90 graden. De eventuele groeve lopen nu over de hele lengte van de buitenkant. De wrijfvlaktes zijn driehoekig.

Problemen met het gebit
Problemen met het gebit
Een goed gebit is voor een paard belangrijk. De vertering en benutting van het voedsel zijn er van afhankelijk, dus ook het welbevinden en de prestaties. Een paard met gebitsproblemen kan onmiskenbare signalen afgeven dat het zich niet lekker voelt.
Enkele verschijnselen van een paard of pony met een slecht gebit:
• Paard/pony eet hooi voordat hij aan zijn biks begint
• Paard /pony laat voedsel vallen tijdens het eten
• Paard/pony houdt zijn hoofd schuin tijdens het eten
• Paard/pony maakt proppen van zijn hooi
• Wanneer paard/pony zijn biks verkruimelt
• Wanneer paard/pony vreemde (stinkende) ontlasting heeft
• Wanneer zijn drinkgewoontes veranderen
• Bij gewichtsverlies
• Bij een slechte conditie
• Bij slechte adem uit de neus of mond
• Bij overtollig speekselen
• Bij bloeden uit de mond
• Bij tranende ogen of een lopende neus
• Als het paard gevoelig is bij het betasten van de wang
• Als het moeilijk is om het bit bij je paard in te doen
• Wanneer het paard slechte tot geen aanleuning heeft met het bit
• Wanneer het paard continu zijn hoofd schudt of zijn hoofd kantelt
• Wanneer het paard aan zijn teugels rukt
• Wanneer het paard zijn tong uit zijn mond steekt
• Wanneer het paard steigert en bokt

De hierboven genoemde gebitsafwijkingen moeten door een vakkundige dierenarts worden behandeld. Een gezond jong paard zonder afwijkingen aan de kaakstand, dat voldoende goed ruwvoer te eten krijgt, behoeft beslist geen ¨halfjaarlijkse controle¨ zoals bij de mens te doen gebruikelijk is. Wanneer het paard echter symptomen vertoont zoals hierboven beschreven en/of op hogere leeftijd komt, dan is het verstandig de mond grondig te laten inspecteren en eventueel te laten behandelen.

Dieet voor paarden met slecht gebit
Sommige paarden hebben zo'n slecht gebit dat ze het voer niet goed meer fijn kunnen malen. De oorzaken daarvan kunnen ouderdom, aangeboren afwijkingen of een ongeluk zijn. In zo'n geval moet het dieet van het paard worden aangepast. Met onderstaand dieet kan de conditie van je paard toch beter worden.
Ingrediënten:
• Bietenpulp brok (24 uur vóór het voeren weken!)
• Luzerne brok (24 uur vóór het voeren weken!)
• Basis brok
• Slobber
• (maiskiem)olie
• Vitaminen/mineralenmengsel voor paarden
• Volle yoghurt
• Vers water, zoveel je paard wil.

Meng bij het mengsel van geweekte bietenpulp/luzerne de basis brok en slobber. Laat dit vervolgens nog eens een goed uur weken. Meng vervolgens de vitaminen/mineralen, de olie en de gedroogde bacteriën erdoor en voer daarna direct aan het paard.
In principe moet dit tot 6 maal daags gevoerd worden. Begin met 1 maal, laat het paard wennen aan de smaak. Ga vervolgens over op 2 maal en voer dit langzaam op naar maximaal 6 maal. Let op dat er tussen de voedingen altijd 3 uur tijd zit.

Hoeveelheden voor een paard dat ongeveer 500 kg zou moeten wegen: Meng per portie 0,5 schep bietenpulp met 0,5 schep luzerne brok, doe hier ongeveer 10 liter water bij. Meng na 24 uur 0,25 schep basis brok en 0,5 schep slobber erdoorheen, eventueel meer water toevoegen. Laat dit ook weer een goed uur weken. Meng daarna het vitaminen/mineralenmengsel erdoor (hoeveelheid: zie verpakking). Bij elk portie voer een half kopje yoghurt. Voer 1 kopje (maiskiem)olie per dag, verdeeld over de porties. Voor pony’s en paarden van een ander gewicht deze hoeveelheden naar rato aanpassen.
Als het paard te dik wordt kun je het aantal porties verminderen.

© 2016 Dierenkliniek Vrieselaar
Vissersburen 1
8531 EB Lemmer
0514 - 564433
Contact-formulier

Leerzaam en leuk om te doen:
DIERENQUIZ
PAARDENQUIZ
Het is vandaag